Verdergaan naar hoofdinhoud Aanmelden
 
 

Dies

Elk  jaar wordt begin oktober de Dies Natalis van Vronesteyn gevierd: de dag dat Vronesteyn werd opgericht. Een gastspreker houdt een lezing, waarna een samenzijn volgt van (oud-)studenten en andere betrokken bij de diocesane priester- en diakenopleiding.
Hieronder vindt u de lezingen van:

- Dies 2010 - lezing Mgr. Lode Aerts, vicaris bisdom Gent en rector van het Seminariehuis te Gent
- Dies 2009
 - lezing Mgr. H. van den Hende, bisschop van Breda
- Dies 2007
 - lezing Hans van Leeuwen sj., spirituaal van Vronesteyn

 

Dies Vronesteyn 2010

Welkomstwoord door rector W. Bakker (samenvatting):
"U allen van harte welkom bij de 22e diesviering. Een bijzonder welkom aan monseigneur Van Luyn.
Welkom ook aan de  gastspreker van deze avond: vicaris Lode Aerts van het bisdom Gent en tevens rector van het Seminariehuis aldaar.
Een aantal maanden terug heeft de staf van het bisdom Rotterdam een tegenbezoek gebracht aan de staf van het bisdom Gent. Is er dan een speciale band tussen deze beide bisdommen?
In ieder geval worden beide bisdommen geleid door een bisschop die Salesiaan is.
Daarbij is er wederzijds contact geweest bij het opzetten van het Peregrinus/Samuel project.
Ook voor mij is het bisdom Gent niet onbekend. Twee jaar lang heb ik een vormings-cursus gevolgd in de Oude Abdij te Drongen bij Gent o.l.v. de jezuïet Marc Rotsaert “Als geloven mij doet leven, kan het dan ook anderen doen leven? “. Het “jaar van de priester”is in juni van dit jaar afgesloten, maar voor de verantwoordelijken voor de vorming van de toekomstige diakens en priesters én voor de diakens en priesters in het bisdom is het gesprek over de spiritualiteit van de huidige priesters nog volop bezig. Het leven van met name de prister en de religieus houdt de gemoederen volop bezig, vanuit het verleden, in het heden, maar voor ons …vooral…. naar de dag van morgen toe.
Er verandert zoveel om ons heen. En dit heeft z’n weerslag op en doorwerking in het leven van de priester en diaken. Hoe kun je het juiste evenwicht behouden om het grootste goed in je levensroeping behouden, namelijk het vertrouwen in God, in de medemens en in jezelf; in de kerk en de daarbij horende organisatie.
Geachte vicaris, beste Lode. Je bent op de uitnodiging ingegaan om ons vanavond toe te spreken.
Van harte geef ik u het woord.

Uit de rede van vicaris Aerts:
"Wanneer de grote bisschop Ignatius van Antiochië in gevangenschap naar Rome werd gevoerd om in het Colliseum voor de wilde dieren geworpen te worden, schreef hij aan de christenen in Efese: “ik ben niet iemand die u raad kan geven. (…) Ik begin nog maar pas zelf leerling te worden”.  Wie deze gedachten op dit blad aanbiedt, is iemand die graag zou leerling worden. Hoe kan zo iemand raad geven aan medechristenen, die doorgaans langer ervaring hebt in het christelijk leven en zelf raad geven binnen de kerkgemeenschap?
Als er dan toch al een aanzet moet gegeven worden, mag het in geen geval een persoonlijke gedachteconstructie worden. Er kan alleen iets zinnigs gezegd worden, als wij allen, toehoorders en spreker, in de leer gaan van Jezus zelf en van zijn Woord dat Hij zo delicaat en zo bescheiden tot alle mensen richt."

U vindt hier de volledige tekst.

   

  

Dies Vronesteyn 2009

In 2009 vond de viering plaats op donderdag 1 oktober. Mgr. Van den Hende, bisschop van Breda, hield de Dies-lezing.

Uit het welkomstwoord van rector Bakker: 

" “Ga naar Ars” werd er tegen de priester Johannes Maria Vianney gezegd. En als pastoor van Ars is hij de patroon geworden voor de priesters. Ook al is de roeping geschiedenis van een priesterstudent heel persoonlijk gericht. Wil jij “man van God” worden. Je wordt geen priester voor jezelf.'
In die zin verbind ik het “jaar van Paulus” als dé missionaris van de Kerk met het “jaar van de priesters” met de pastoor van Ars als de martelaar van de biechtstoel. Missionair en sedentair lijken met elkaar in spanning te staan, maar het is de grote zorg voor de opleiding en de bisschop om ze beiden tot hun recht te laten komen in de priester van deze tijd. In de roeping geschiedenissen van de huidige studenten spelen ze beiden een grote rol. De meeste studenten ervaren pas in alle duidelijkheid op latere leeftijd en vaak verder weg van huis dat zij daadwerkelijk geroepen zijn tot het leven als priester."

Lees hier de volledige tekst.

Uit de rede van Mgr. Van den Hende:

"Je roeping op het spoor komen, antwoorden op datgene wat de
Heer in je hart heeft gelegd, begint met bewust in dialoog treden
met de levende God. Want hoezeer God ook met groot geduld
en intense trouw zich naar ons toekeert, essentieel is dat er
uiteindelijk een oprecht en doorleefd antwoord klinkt van onze
kant, in alle vrijheid instemmend met Gods bedoelingen met
ieder van ons."

U vindt hier de volledige tekst.

 

Dieslezing Vronesteyn 2007

Elk  jaar wordt begin oktober de Dies Natalis van Vronesteyn gevierd: de dag dat Vronesteyn werd opgericht..  
Op 1 oktober 2007 hield spirituaal pater Hans van Leeuwen sj. de Dies-lezing. Hieronder is de volledige tekst opgenomen.

 
Spiritualiteit of theologie: een vals dilemma

Het onderwerp waarover ik u mag spreken is nauw verweven met mijn curriculum vitae. Op zoek naar iets wat achteraf gezien iets met spiritualiteit te maken had, kwam ik terecht in de orde waartoe ik behoor
en werd daar allereerst in de ignatiaanse spiritualiteit gevormd.
Tijdens de studie van filosofie en theologie die daarop volgde
ontdekte ik dat spiritualiteit breder is dan alleen de ignatiaanse
en dat een gelovige reflectie voor spiritualiteit onontbeerlijk is,
om reëel te zijn en in leven en geloven verworteld te zijn.

De theologie gaf  mij die noodzakelijke context voor de spiritualiteit,
maar werd – ik studeerde theologie juist in de jaren van het 2e Vaticaans Concilie – tegelijk voor mij pas echt een levende theologie,
toen ik mocht ontdekken, vooral als docent theologie, hoezeer openbaring en ervaring op elkaar betrokken zijn. Zo verwees de theologie mij terug naar de spiritualiteit, naar de gelovige ervaring waarop zij een reflectie is.

Ik werd uit mijn theologische mijmeringen weggehaald om  een meer bestuurlijke functie op mij te nemen. Later werd ik verantwoordelijke voor de vorming van mijn jonge medebroeders. Die functies brachten mij in persoonlijk contact met velen
die vanuit geloof en spiritualiteit probeerden te leven en te werken. Eenmaal daarvan geproefd hebbend kwam ik niet meer terug in het domein van de strikte theologie, maar bleef werkzaam op het gebied van de spiritualiteit, wellicht en zelfs hopelijk theoloog blijvend,  maar toch vooral met mensen een weg gaand op zoek naar de Bron van hun leven.

Dat zag ik ook als mijn taak als spirituaal van de priesteropleiding in Vronesteyn. Nu ik die functie beëindig, kijk ik terug op de weg die ik heb afgelegd. Hoe spiritualiteit en theologie niet hetzelfde zijn, maar alles met elkaar te maken hebben en elkaar veronderstellen.

Ik zou met u willen nagaan ten eerste hoe spiritualiteit en theologie zich tot elkaar verhouden, ten tweede wat die verhouding betekent voor de ambtsopleidin

Ik gebruikte al vele malen het woord “spiritualiteit”. Wat versta ik daaronder? Ik probeer niet een uiteindelijke definitie te geven,
maar eerder een soort werkhypothese. Spiritualiteit is een manier van leven, van in het leven staan. Hoe ga je om met wat je overkomt, hoe ontdek je gaandeweg wat betekenis en zin aan je eigen levensverhaal geeft? Wat geeft je inspiratie om het leven uit te houden? Spiritualiteit gaat over de binnenkant van het leven, over innerlijkheid. Ze is onmisbaar ook voor de gelovige mens, omdat zonder die innerlijkheid het geloof verschraalt en verdort tot een kil systeem van waarheden of dogma’s.
Geloven is allereerst een beleving, maar die heeft wel een inhoud. Het is niet een louter subjectief gebeuren.

Het is van belang dat op te merken. Want het woord “spiritualiteit” is tegenwoordig dekmantel van veel. Je mag misschien wel zeggen dat de betekenis van “spiritualiteit” is gedevalueerd. Ik bracht het al in verband met “geloof”. Ik doe dat omdat ook geloven voor mij allereerst een manier van leven is, juist zoals spiritualiteit.
Geloven is niet zozeer het aanvaarden en beamen van waarheden die ons worden overgeleverd, geloven is niet het hebben van een aantal opinies, het weten van een brok kennis, maar een manier van leven: open, op zoek, met vragen en twijfels,
aandachtig en eerbiedig, verwonderd en luisterend naar het Geheim van alle leven.

Het is de positieve uitdaging van onze tijd om niet te geloven in een God die van buitenaf ingrijpt of juist niet, maar in een God die midden in het leven – soms even – wordt ontdekt. God die gezien en beleefd wordt als het dragend mysterie van ons bestaan.
Onze tijd is een dringende uitnodiging om op andere manier met God om te gaan. Hem op de goede plek te zoeken.
Geloven is durven ingaan op onze levensvragen. Het leven, het menselijk bestaan, de menselijke geschiedenis zoals ze lopen
stellen ons voor vele vragen. Geloven zou iets te maken moeten hebben met het antwoord op die vragen.

Wat gelovige mensen vóór ons gevonden hebben en gekregen hebben aan gelovig zicht op het leven, wat ze zijn gaan vermoeden van het geheim van God, dat heeft voor ons onvervangbare waarde, wij moeten ons erdoor laten gezeggen. Maar tegelijk staan wij voor de onvermijdelijke opgave ons eigen geloven vandaag onder woorden te brengen.
Wij kunnen niet alleen maar herhalen, wij moeten ook woorden vinden voor ons eigen beleven hier en nu.
Ons geloof moet onze spiritualiteit zijn…

Dit heeft alles te maken met wat ik versta onder openbaring, de wijze waarop God zich openbaart, openbaar wordt: geen woorden worden mensen toevertrouwd, maar ze maken dingen mee die gelovige woorden onder hen oproepen.
God heeft het initiatief, Hij laat mensen dingen ervaren, maar dat gebeurt en wordt zichtbaar en hoorbaar in en onder mensen.

Voor de christen-gelovige is de Bijbel van voor tot achter het resultaat van het zoeken naar menselijke woorden voor een ervaring die naar God verwijst.
Christelijk geloven is: het aandurven om net als het volk van Israël en in hun voetspoor ook vandaag te getuigen “dat God nabij is”.
Om het eenvoudig te zeggen: geloven heeft iets van een wandelen met God. En dat is nu precies wat ik bedoel met “spiritualiteit”.

Uit het voorgaande volgen een paar karakteristieken van christelijke spiritualiteit. Ten eerste is christelijke spiritualiteit een spiritualiteit die op de Schrift gebaseerd is en op het geloof in een God die met zijn mensen geschiedenis maakt. Tot de kern van christelijke spiritualiteit hoort daarom dat de mens een persoonlijke relatie heeft met die God. Met Rahner: “De gelovige van morgen zal een ‘mysticus’ zijn, iemand die iets ‘ervaren’ heeft of hij zal er niet meer zijn”.

Ten tweede zijn christelijk geloof en christelijke spiritualiteit betrokken op de gehele werkelijkheid, op heel het menselijk bestaan.
Alles wat voorwerp van menselijk ervaren en reflectie is kan worden tot vindplaats van God, tot een plek waar God ontmoet kan worden. We vinden dat terug in veel verschillende stromingen van christelijke spiritualiteit. Ignatius van Loyola: God in alles zoeken en vinden. Benedictus: God in alles loven. Teresa van Avila: God ervaren in het meest alledaagse. Franciscus van Assisi: Heel ons leven hebben wij te danken aan God die zijn en leven geeft. Christelijke spiritualiteit is niet zomaar het bezig zijn met geestelijke dingen, maar het is een voortdurende dimensie die heel het leven en werken van de christen raakt en betekenis geeft.

Ten derde is christelijke spiritualiteit ook incarnatorisch. De betrokkenheid op God krijgt een concrete, aan het leven ontleende en midden in het leven groeiende vorm. Zoals de nabijheid van God concreet en menselijk werd in Jezus, de Mensenzoon, zo is spiritualiteit pas echt christelijke spiritualiteit, als in de concrete vormgeving van het leven duidelijk wordt hoe heel het leven beleefd wordt vanuit en in de relatie met God.

Ten vierde moet christelijke spiritualiteit hoezeer ook horend tot de allerpersoonlijkste innerlijkheid van de mens in communio en communicatie beleefd worden. Anders dreigt ze te verstikken of te verzanden of esoterisch te worden. Christelijke spiritualiteit ontwikkelt zich in het uitwisselen van gedeelde ervaring, het toetsen daarvan in dialoog. Christelijke spiritualiteit is een kerkelijke spiritualiteit.

Dat brengt de theologie in het spel.
Er bestaat een intrinsieke verhouding  tussen theologie en spiritualiteit.
Een goede theologie is spiritueel.
En omgekeerd ook. Spiritualiteit die niet een theologische bodem heeft
is vaak geen echte spiritualiteit meer.

Volgens mij vraagt de theologie er zelf om
de ervaring in de theologie te betrekken,
omdat ze haar oorsprong vindt in de ervaring.
En omdat ze ook maar één doel heeft:
om die ervaring te voeden, er richting aan te geven,
om de ervaring te toetsen,
misschien vooral ook om de ervaring levend te houden.
Theologie is voor mij reflectie op een beleving, op een ervaring.
Omdat het theologie is: op een gelovige beleving en ervaring.

De kwestie theologie en spiritualiteit
hangt helemaal samen met de visie op theologie.
Het gaat theologisch gezien over de vraag:
hoe verhouden zich eigenlijk openbaring en menselijke ervaring?
God openbaart zich doordat mensen Hem ondergaan.
Ik herhaal wat ik reeds met betrekking tot spiritualiteit zei:
openbaring betekent niet dat allerlei woorden aan mensen worden toevertrouwd,
maar mensen maken dingen mee, in hun leven, in hun geschiedenis,
die woorden onder hen, in hen oproepen.

En dan geldt voor de theologie hetzelfde als voor christelijke spiritualiteit:
het openbaringsgebeuren is nooit een individueel gebeuren alleen: het is een gebeuren dat zich tussen mensen en in de communicatie van mensen voltrekt.
Mensen die elkaar wijzen op datgene wat zij in hun geschiedenis,
in hun levensverhaal, in hun gezamenlijke geschiedenis
op een gegeven moment zijn gaan vermoeden als de Nabije,
als toekomst hebben, als een belofte,
als grond onder je voeten, als bevrijd worden.
Er is een grondervaring, die in mensen, gelukkig maar,
gegroeid is en die hen ook niet meer verlaten heeft:
dat mensen niet aan hun lot worden overgelaten.

Mensen horen niet Gods stem, maar ze maken Hem mee.
Ze krijgen oor voor de “Stem” in het gebeuren, in alles wat hen overkomt.
Dat is het woord wat mensen met elkaar ontvangen,
wat ze als een belofte met zich mee zijn gaan dragen
en dat ook hoe langer hoe meer zin is gaan geven aan hun bestaan.
Een woord wat hen op de been houdt, wat hen voortdrijft,
wat hen ook bij elkaar drijft; wat hen tot een volk heeft gemaakt.

Zo is God langzamerhand ‘woord’ geworden in en door menselijke ervaringen.
Je zou ook kunnen zeggen: zo is God langzamerhand ‘mens’ geworden.
Een God van mensen.
Totdat het zich ooit heeft toegespitst in hét Woord of dé Mens.
Maar dat was volstrekt onmogelijk geweest,
als niet tevoren mensen, heel langzaam aan,
God op het spoor waren gekomen.
Gods Naam is op de allereerste plaats een verhaal
dat onder mensen gegroeid is.
Het verhaal over de God van Abraham, Izaäk en Jakob.

Maar wij zijn – en dat is jammer maar het was onvermijdelijk –
met dat verhaal en met onze ervaring op een heel bepaalde manier omgegaan.
Wij leven niet alleen maar met en van verhalen.
Het verhaal is gestold. We hebben geprobeerd het verhaal steeds beter te begrijpen.
We zijn het op noemer gaan brengen.
We hebben er een belijdenis van gemaakt
en tenslotte hebben we het tot dogma gemaakt.
Het grote gevaar is dat we al doende
steeds verder verwijderd raakten van die ervaring.
Dat het narratieve ons vergaat
en dat we tenslotte alleen nog maar theologische begrippen overhouden.
God is oneindig, oneindig volmaakt, eeuwig, almachtig, alomtegenwoordig,
alwetend, onveranderlijk, ongeschapen.

Maar dat zijn allemaal woorden
die eigelijk conclusies zijn van een redenering.
Ze mogen ons niet doen vergeten hoe we God op het spoor zijn gekomen
en hoe wij vanuit en in onze ervaring  ons een beeld
en niet een begrip van Hem hebben gevormd.
Hoe we Hem een naam hebben gegeven:
de Nabije, de trouwe, de bevrijder, schild, rots en herder.
Dat zijn geen conclusies van een redenering,
maar een tastende verwoording van een ervaring.
God komt niet tevoorschijn uit een redenering,
maar in een ontmoeting, de ervaringen van mensen,
individueel en gemeenschappelijk.

Een beetje uitdagend zou ik willen zeggen:
theologie zou vooral een hulpwetenschap moeten zijn.
Een wetenschap die mij helpt mijn gelovige ervaring hier en nu
te verwoorden, te voeden en te toetsen.
De theologie is secundair t.o.v. de gelovige ervaring,
die minstens logisch (niet altijd in de tijd)  aan de theologische
reflectie en verwoording vooraf gaat.

Daarom is theologie onlosmakelijk verbonden met spiritualiteit.
Spiritualiteit is immers zoals we zagen, een manier van leven
die in het alledaagse op de plek en in de situatie waarin ik mag leven
zich bewust wordt van wat daar voor mij te horen is,
wat daarin voor mij voor boodschap ligt.

Spiritualiteit heeft iets van het ordenen van die ervaring.
Het is de openheid voor wat je meemaakt,
voor het leven zelf, maar met name voor de dieptedimensie ervan.
Spiritualiteit is: in alles de diepte gaan ervaren.
Theologen zeggen dan meteen: het transcendentiemoment.
Dat is nog niet eens zo gek. Het is toch op den duur gaan leven van de ervaring:
het leven is meer dan het leven. Het leven is niet plat.
Het leven heeft soms een dubbele bodem. Zijn achterkant, zijn binnenkant.
Zijn Geheim dat het soms maar moeilijk kan prijs geven.
De eigenlijke diepte gaan verstaan, dat is het begin van spiritualiteit.
De verbondenheid gaan voelen, de relatie, met de bron van het leven.
Spiritualiteit is de bezonnen ontmoeting met al wat is.

Bewust en methodisch daarmee bezig zijn brengt je bij de theologie.
Spiritualiteit is de voedingsbodem voor de theologie.
Als je van de theologie verwacht dat het een hulpwetenschap is,
zul je de theologie ook moeten helpen.
Je zult zelf op de een of andere manier de gelovige ervaring
waar de theologie vanuit zou moeten gaan,
ook zelf moeten koesteren en voeden en onderhouden in je eigen leven.
Theologie heeft spiritualiteit nodig, spiritualiteit vraagt om theologie.

II


Een plek waar deze wederzijdse betrokkenheid van spiritualiteit en theologie
enerzijds helemaal tot zijn recht komt
en anderzijds een conditio sine qua non is
is de ambtsopleiding, de vorming van priesters, diakens, pastorale werkers,
ja van allen die zich in dienst willen stellen van het kerkgebeuren.
Steeds weer wordt in kerkelijke documenten aangegeven
wat de vier belangrijkste elementen, de peilers van deze vorming zijn:
de persoonlijke ontwikkeling, het geestelijk leven en de groei daarin,
de wetenschappelijke vorming en het aanleren van pastorale vaardigheden.
Het slagen van deze vorming staat of valt
met de integratie en een evenwichtige verhouding  van deze vier elementen.

Het gaat hier immers om heel de mens.
Degene die wordt opgeleid is als mens en als gelovige
helemaal bij deze vorming betrokken.
Hij of zij wordt niet alleen ingeleid in een wetenschap
of vertrouwd gemaakt met vaardigheden,
maar hij maakt zich gaandeweg  een manier van leven eigen.
De vorming heeft tot doel dat hij die manier van leven gaat ontdekken,
dat hij die inoefent, dat hij die onderbouwt
en als het ware hanteerbaar maakt, zodat hij anderen kan begeleiden en voorgaan
op hun gelovige weg door het leven.
Dat veronderstelt dat spiritualiteit en theologie
als constituerende factoren van deze vorming
beide deze manier van leven vorm geven en ondersteunen.
Ze kunnen dat alleen als ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Toen ik vele jaren terug aan theologiestudenten probeerde duidelijk te maken
wat ik onder theologie verstond, kreeg ik de reactie:
“Ho, ho, wacht eens even, dat komt wel erg dichtbij! Daar heb jij niets mee te maken.
We zijn hier gekomen om te studeren.
Vertel dus eerst maar eens hoe die theologie in elkaar zit.”
“Ja maar, zei ik, theologie is reflectie op een gelovige ervaring.”
“Dat is dan jammer, maar die gelovige ervaring houden we erbuiten.”
Waarop ik zei: “Maar ik vind wel dat ik dan met godsdienstwetenschap bezig ben
en met het fenomeen religie. Dat is voor mij niet genoeg.”
Maar ze bleven zeggen: “Maar je moet toch niet te dichtbij komen.”
Totdat – en daar was ik wel blij mee, ook al gebeurde het buiten de colleges –
ze na enige tijd zeiden: “We houden toch wat vragen over.
Kunnen we niet een gespreksgroep vormen
om eens met onze eigen vragen bezig te zijn?”
Theologie zelf moet altijd weer op zoek gaan naar haar oorsprong,
naar de geleefde, gelovige ervaring, naar spiritualiteit.

Ik hoop dat wij mensen opleiden die niet alleen aan anderen verkondigen
dat er een heilig vuur bestaat,
maar die ook zelf van dat heilige vuur leven.
Hoe zullen ze anders de dienaren en bedienaren van dat vuur kunnen zijn?
Als over God denken en spreken een zaak van het hoofd blijft
die het innerlijk niet beroert, blijft het steriel
en kan het een bloedeloze aangelegenheid worden.
Van de andere kant is spiritualiteit niet een alternatief of vervanging
voor het denken over God en zijn Rijk.
Ik val in herhaling, maar het is de kern van mijn betoog:
Theologie zonder spiritualiteit verstart tot een alsmaar harder wordende objectiviteit;
spiritualiteit zonder theologie verwordt tot een vlucht in subjectivistische vroomheid.

Om dat evenwicht in de opleiding te garanderen
moeten we denk ik scherp in het oog houden
wat we omschreven als kenmerken
van zowel de christelijke spiritualiteit als de theologie:
uitgangspunt en kern is de persoonlijke verbondenheid met God en met Christus;
het gaat niet om een segment maar om een dimensie van heel het bestaan;
het moet concreet geïncarneerd worden vanuit en in die verbondenheid;
dat gebeurt in communio en communicatie, in de geloofsgemeenschap.

Spiritualiteit en theologie zouden in de opleiding in dienst moeten staan
van een vormingsproces waarin deze vier karakteristieken
steeds meer en steviger het leven van degene die gevormd wordt onderbouwen.
Een persoonlijk geestelijk leven met een cultuur van persoonlijk gebed,
dagelijks bidden met de Schrift
en gericht op je leven zoeken naar wat God met je voor heeft,
wat het zou kunnen betekenen dat jij met God mag samen-werken
en dat voeden door een regelmatige viering van de sacramenten.
In dat persoonlijk geestelijk leven begeleiding zoeken.
Maar ook jouw manier van gelovig leven steeds meer gaan delen met anderen,
de kerkelijke dimensie ervan gaan ervaren en koesteren,
gaan zien in welke traditie je mag staan
en in welke gemeenschap je geroepen bent tot dienst.

De vraag of dit ook werkelijk in de opleiding gebeurt, bereikt wordt,
kun je op verschillende manieren proberen te beantwoorden.
Je kunt je afvragen wat we feitelijk met de studenten “doen”,
zoals dat ook  op de dies van vorig jaar gebeurde.
Een andere weg is om ons af te vragen hoe degenen
die de vorming nog maar korte tijd achter zich hebben erop terug kijken.
Met welke vragen worden zij geconfronteerd,
als zij “naar het diepe varen”,
met de realiteit van het pastor-zijn geconfronteerd worden?

Ik denk dat al spoedig blijkt dat er – hoe kan het ook anders –
een behoorlijke spanning bestaat tussen de vormingstijd en de nieuwe realiteit.
Als de omstandigheden veranderen, blijkt dat je je daarop
maar ten dele hebt kunnen voorbereiden.
Des te belangrijker is dan dat je kunt terug vallen op een manier van leven,
die je in de vormingstijd inoefende en die je nu in staat stelt
om in de nieuwe omstandigheden je weg te vinden.
Echte spiritualiteit, de bezonnen ontmoeting met al wat is,
gebeurt altijd in het hier en nu.
Spiritualiteit tijdens de vorming is niet vooral een oefening voor later,
maar een manier van leven hier en nu,
opdat die ook later gevonden zou kunnen worden.

Een vergelijking. Een muziekstudent die op zijn instrument oefent,
doet dit vanzelfsprekend met het oog op later,
op het beroep als musicus dat hij wil uitoefenen.
Maar op het moment dat hij zich met het werk van een componist bezig houdt,
verdwijnt iedere gedachte aan een doel ergens in de toekomst.
Er is dan alleen dit moment, de muziek die hier en nu klinkt,
en die zijn volle inzet vraagt.
Zo is het ook met het geestelijk leven.
Verbondenheid met God gebeurt altijd in het hier en nu;
een vroegere verbondenheid kan men zich herinneren,
maar men kan die niet opnieuw actualiseren;
een toekomstige verbondenheid kan men verwachten,
maar je kunt er niet op vooruit lopen.

Natuurlijk is het wel mogelijk en noodzakelijk je op “later” voor te bereiden.
Maar dat gebeurt eerder door de goede houding in jezelf te kweken,
om wat er ook gebeurt op de goede wijze te ontvangen,
er jouw antwoord op te geven.
Je zult ontdekken dat er heel veel van je verwacht wordt
en dat het niet mogelijk is om aan alle verwachtingen te voldoen.
Er zullen gaten vallen, teleurstellingen komen, misverstanden groeien.
Niet weinig jonge priesters die er niet echt op voorbereid zijn
dat zulke ervaringen normaal zijn – en pas als je dat vindt,
kun je er constructief mee omgaan – reageren niet goed.
Ofwel ze schermen zich af, geven niets persoonlijks meer prijs,
en zijn geneigd een beschermende en blokkerende muur van afstand op te bouwen,
Ofwel ze proberen het ieder naar de zin te maken,
wat helemaal niet kan, omdat de verwachtingen vaak heel tegenstrijdig zijn.

Hoe belangrijk is het dan om de goede, gelovige manier van leven
te hebben gevonden en nu te kunnen vasthouden.
Of het “later” na de vormingstijd goed zal gaan,
hangt voor een niet onbelangrijk deel ervan af,
of de nu reeds veel genoemde integratie van spiritualiteit en theologie
niet alleen is nagestreefd, maar ook is gelukt.

Ik vraag  me soms af, of we daarin toch niet tekort schieten,
omdat spiritualiteit en theologie ondanks alle goede bedoelingen
toch teveel naast elkaar blijven staan of werken.
Dat kan institutioneel zijn: de theologie wordt aan het ene instituut toevertrouwd,
de spiritualiteit aan het andere en tussen beide is er te weinig echte communicatie
of we doen vooral aan terreinafbakening of neigen naar een concurrentiegedrag.
Dat kan ook binnen het ene instituut meer persoonlijk zijn:
aan de ene functionaris wordt de theologische vorming toevertrouwd,
aan de andere de geestelijke of spirituele vorming.
Met dezelfde feilen: te weinig communicatie of teveel concurrentie.
We zouden daar best eens kritisch naar mogen kijken.
Is bijvoorbeeld bij de oprichting van de Faculteit Katholieke Theologie
de samenwerking en integratie van theologische en spirituele vorming
voldoende in het oog gehouden en gegarandeerd?

Soms denk ik: het allerbelangrijkst is eigenlijk degene die de integratie in de student begeleidt en tot stand helpt brengen.
Dat is degene die hem begeleidt in zijn geestelijk leven.
Voor mij komen spiritualiteit en theologie bij elkaar in de geestelijke begeleiding.
Is dat niet de integrerende factor?
We kunnen programma’s opstellen waarin spiritualiteit en theologie
keurig geïntegreerd worden,
maar als de geestelijke begeleiding ontbreekt of niet goed functioneert,
blijft de vrucht toch uit.

De geestelijke begeleiding in de ambtsopleiding
moet meer nog dan in andere omstandigheden maieutisch zijn,
iets van verloskunde hebben.
Ze heeft een paradoxaal doel: ze wil iets bewerken
wat niet bewerkt kan worden.
Het gaat erom condities te scheppen
waarbinnen het eigenlijke gebeuren kan.

Het fundamentele doel van de vorming zou moeten zijn:
het objectieve van het geloof van de kerk zo voor de kandidaten te ontsluiten,
dat daaruit in een soort transformatieproces
subjectieve evidenties kunnen groeien.
Dat is een gebeuren vol spanning en risico,
omdat het zich niet laat plannen of reguleren.
Het lukt alleen maar  wanneer het persoonlijk geloof werkelijk aan bod komt,
de eigen wijze waarop deze mens met zijn God en met Christus verbonden leeft.
Alleen zo worden persoonlijkheden gevormd
die erin slagen te komen tot  een evenwicht
tussen kerkelijke opdracht, individuele spiritualiteit,
en persoonlijke integriteit.

Ik mag in het bisdom Rotterdam wel besluiten
met een verwijzing naar het verhaal van de Emmausgangers.
Het bevat een aantal elementen die de verhouding
tussen spiritualiteit en theologie illustreren
en tegelijk een model leveren voor de geestelijke begeleiding
die tot doel heeft de integratie van die twee te bevorderen.

1. Je moet niet weglopen van wat je overkomt.
Je moet er bij stil durven staan. Je bewust zijn wat je overkomt en meemaakt.
Het is belangrijk om je je eigen levensverhaal bewust te zijn.
Wat zie je erin, wat beleef je erin, wat vermoed je, geloof je, hoop je?
Hoe ga je ermee om?

2. Het is goed, zelfs nodig om je verhaal met elkaar te delen,   
je hoop en je wanhoop met elkaar te communiceren.
De verhalen vullen elkaar aan. Het gezamenlijk verhaal is
meer dan de som van de afzonderlijke verhalen.
Zo kun je elkander dragen.

3. Nog belangrijker is elkander te dragen in geloof. 
Dat doe je door je eigen verhaal te leggen naast HET verhaal.
Het verhaal van God met ons, zoals het ons is doorgegeven en toevertrouwd.
Opdat we ons eigen verhaal gaan herkennen
als een stukje van het grote verhaal
en gaan zien hoe we in ons verhaal HET verhaal een vervolg geven.

4. Dat wordt nog verdiept, als wij in woord en gebaar het verhaal niet alleen vertellen,
maar het ook opnieuw laten gebeuren.
In het samen geloven, in het samen kerk zijn
halen we HET verhaal terug door het ons te herinneren
en het te doen, hier en nu.

5. Als we zo met elkaar delen, onze verhalen en ons leven,
in de context van HET verhaal,
dan mag je soms even gaan herkennen
wie er met ons meeleeft, met ons meegaat als tochtgenoot.
Dat het nog steeds waar is: God met ons – Hij leeft – hier en nu.

Een ambtsopleiding waarin spiritualiteit en theologie
elkaar wederzijds veronderstellen en aanvullen,
zal naar ik hoop mensen vormen die zelf tochtgenoot kunnen zijn
van hun medegelovigen,
omdat ze zelf dag aan dag ervaren hoe God met hen oploopt.


Dies Vronesteyn 1 oktober 2007                                         Hans van Leeuwen s.j.

Terug