Ze zijn al in Spanje, de negen fietsers en twee begeleiders op weg naar Madrid. Roncesvalles, de beroemde pas voor alle 'Santiago-gangers', op 1057 meter hoogte, werd van de week al geslecht. Vanmorgen vertrok de groep uit Najera, op de kaart langs de weg tussen Burgos en Logrono.
“Onwijs snel”, gaat het volgens Dick Vrijburg. De sfeer is opperbest: al dagen geen lekke banden, zoals in het begin. Ook geen last meer van haperende knieën, dat bleek toch vooral de onwennigheid met de klimmende kilometers te zijn.
De kilometerhoge pas werd 'in stijl' genomen. Diaken Vrijburg: “Het was een klim van zeventien kilometer, die we in een uur tot anderhalf uur hebben gedaan. Ieder reed in eigen tempo, en op de top hebben we gewacht.” Dat is een beetje het vaste stramien: elkaar niet in de weg zitten met een te hoog of laag tempo om 'lekker' door te kunnen trappen, en vervolgens elkaar weer terugzien bij een afgesproken punt.
Lastig, maar geen last
De Pyreneeën kwam ieder zo goed door. “We hebben prachtig gefietst!” De stop op de pas was mooi. “Er is daar een kapelletje met een groot kruis, een vaste stop voor de wandelaars. Het is traditie er een steentje van thuis neer te leggen, als teken dat je de last waaronder je gebukt gaat, achterlaat.” De groep 'Madrid-fietsers' liet niets achter, vertelt Vrijburg. “Alles wat we bij ons hebben blijkt belangrijk.”
Tsja, je fiets wordt je beste vriend, zo blijkt onderweg. “We zijn er zuinig op en sluiten ze 's nachts zo goed mogelijk af. Zondag hadden we te kampen met materiaalpech. Een versnellingshandel weigerde dienst.” En zonder versnellingen doe je niet, de Pyreneeën over (“We reden in een afdaling tachtig kilometer per uur!”). Op maandagochtend de fietsenmaker dicht, dus werd er besloten dat de groep in de formatie 'min twee' op pad ging. De achtergebleven fietsers wachtten tot de fietsenmaker hen kon helpen. Wachten doe je niet alleen, dus bleef er een reismaat mee achter; de keus viel op de fietser die ook met wat technisch malheur kampte, twee vliegen in één klap. De auto bracht de twee 's avonds weer terug bij de groep. Geen centje pijn, met on-affe gevoelens of de zorg nu niet de hele tocht te hebben volbracht. “Het was misschien een streep door de rekening, maar we leggen als groep de reis af en dit hoort er gewoon bij.”
BN-ers
“We groeien goed naar elkaar toe, zo, onderweg. Ieder praat met ieder, niemand wordt buitengesloten en we hebben een hoop gelachen.” Omdat het vertrek van de campings steeds vroeg blijft, de dagafstanden niet meer zo groot als in de eerste week en de kruissnelheid toch wel zo'n 21, 22 kilometer per uur is, blijft er tijd over in de middag en avond. “De een gaat slapen, een ander zwemmen of een stadje in.” Half 8 eten is zo'n beetje vaste prik, en dat kan wel eens flink uitlopen. “Het is snel laat, we zijn vrij bezet zo.” Tijdens het eten wordt er bijgepraat. Ook spiritueel voedsel wordt dan genuttigd: “We hebben de verhalen die de jongeren in de bus meekrijgen, ook gelezen. Peerke Donders, Bernadette, Teresia van Avila, hun levensverhalen zijn verteld.” Daarna is het afwassen, eten voor de volgende dag klaarmaken, bandje plakken en soms ook nog een biertje aan de bar. 's Ochtends ieder weer fris en fruitig, half 8 op pad. Echter: niet nadat de dag met gebed is begonnen. “Het blijft een zware tocht, we onderschatten het niet.”
Momenteel zit de warmte hen het meeste dwars - in de Pyreneeën was het koud. Gisteren was het toch wel rond de veertig graden in de middagzon. “We moeten er nog even over eens worden wat het beste is: een lange middagpauze of doorfietsen en dan vroeg op de camping om te rusten. Dat moet de komende dagen blijken. De doping waarop het allemaal moet gebeuren - behalve heel veel zin in de Wereldjongerendagen, een groeiende onderlinge band, de geweldige natuur onderweg, de fijne ontmoetingen (veel Santiago-wandelaars, “tientallen” per dag) -: water en chocoladebroodjes.