Verdergaan naar hoofdinhoud Aanmelden
 

Homilie van Mgr. Dr. J.H.J. van den Hende
H.H. Laurentius en Elisabeth kathedraal, Rotterdam

2 juli 2011

Broeders en zusters, u bent met velen gekomen naar hier vandaag in deze kathedraal. Mensen
uit het bisdom Rotterdam, uit andere bisdommen en ook vanwege de burgerlijke overheid
bent u hier bijeen.

Als u deze kathedraal nadert, dan lijkt het wat op een vesting. Een indrukwekkende gevel met Elisabeth van Thüringen in het midden. Een vrouw met een diaconaal hart die rijk was maar van haar rijkdom deelde met de armen. En ze woonde in een grote burcht ‘De Wartburg’. Aan de voorgevel van deze kerk heeft de architect die kleur meegegeven. Een diaconaal gezicht aan de gevel. Een gevel die op een vesting lijkt, maar als je binnenkomt dan opent dit gebouw zich als een plaats om God te ontmoeten. Vandaag op deze bijzondere dag is dit de plek om te
zijn voor ons bisdom. De Heer ontmoeten in Zijn huis. Het heeft een diepe betekenis als we binnenkomen en niet elkaar begroeten en dat de bisschoppen niet beginnen te zwaaien naar bekenden, maar dat je eerst hier in deze kerk Christus zelf begroet, aanwezig in deze kerk in het Sacrament. Ook een teken van de Heer is het grote altaar, de hoeksteen, omdat we op Hem mogen bouwen, op Hem mogen leunen. En dan de ontmoeting in de woorden van de Schrift waarin de Heer Zelf aan het woord is en we ook bij het Evangelie als teken daarvan gaan staan. Op deze bijzondere dag voor deze ontmoeting hier in de kerk bent u met velen gekomen.

Mgr. Van Luyn heeft zojuist plaats gemaakt op de zetel van Rotterdam. Hij verdwijnt niet uit beeld want ook een emeritus bisschop blijft verbonden met het bisdom en dus met de zetel. Daarna heb ik plaats mogen nemen op die plek. Het staat er zo in het boekje: “inbezitname van de zetel”. Maar eigenlijk is het niet dat je de zetel naar je toehaalt, zo van ‘dat is nu van mij’, maar je mag op de zetel gaan zitten omdat je er geplaatst bent, zoals ook in de
benoemingsbrief van Paus Benedictus klonk die van zichzelf zei dat hij geplaatst was op de zetel van Petrus.

Een bisschop gaat en een nieuwe bisschop komt. Rotterdam krijgt een nieuwe bisschop en ik mag aantreden als nieuwe bisschop in een nieuw diocees. Het klinkt alsof dat een breuk is of dat je opnieuw begint of dat je iets afsluit. Feitelijk vieren wij de Eucharistie om de continuïteit van de Kerk te beklemtonen want God die een plan met ons heeft, heeft dat door heel de geschiedenis kenbaar gemaakt, zoals we in de eerste lezing hoorden bij monde van de
profeet Jesaja, dat God Zijn volk nabij is (Jes. 61, 9-11). Dat Hij Zijn mensen steunt, met barmhartigheid bejegent, maar ook iets van hen verwacht. Ook wij mogen ons verbonden weten met diezelfde God, die is mens geworden in Jezus Christus en die bij ons is in dit uur. Die aanwezig was toen de eerste apostelen werden uitgezonden, en die ook aanwezig is nu wij dit zo belangrijke moment voor het bisdom Rotterdam mogen vieren.

Continuïteit, omdat het God Zelf is die zich met ons verbonden heeft, omdat het Jezus Zelf is die beloofd heeft: “Ik ben met u tot aan het einde van de tijd” (Mt. 28, 20b). Met mensen is dat wel eens anders, maar als de Heer Zijn belofte uitspreekt doet Hij die ook gestand. De Heer is zelfs zo ver gegaan dat Hij Zijn leven heeft gegeven als een Goede Herder, Zijn leven heeft gegeven aan het kruis en zelfs daarna, na Zijn verrijzenis, opnieuw is Hij bij Zijn
leerlingen gekomen om te zeggen ‘Vrede zij u’ (Joh. 20, 20) en ook de Heilige Geest mee te delen als kracht, als gids, als helper en trooster.

Broeders en zusters, als wij ons zo dicht weten bij de Heer, als wij ons zo gedragen weten door Hem, dan komt als vanzelf ook de vraag op: Heer, wat kunnen wij voor U betekenen? Wat mogen wij voor U doen? Wat heeft U in ons hart gelegd? Wat is uw plan met ons? En dat is een vraag die iedere mens zich mag stellen. De catechismus (CKK art. 27) zegt dat God met ieder mens een plan heeft. Dat God ons het leven heeft geschonken en dat Hij ons uitnodigt om met Hem in dialoog te gaan en zo te antwoorden op Zijn roepstem, op Zijn bedoelingen met ons ‘ja’ te zeggen. En dat kan heel divers zijn want er zijn vele verantwoordelijkheden in onze wereld, vele taken en ambten in onze Kerk.

Broeders en zusters, de Heer die ons zo draagt door de geschiedenis heen en die ons een verantwoordelijkheid geeft en ons ook uitnodigt om met Hem verbonden te zijn en onze roeping waar te maken, die maakt ook duidelijk dat we Zijn barmhartigheid nodig hebben. Want hoeveel Hij ons ook schenkt, hoezeer Hij ons ook bezielt met Zijn heilige Geest, steeds blijkt weer dat mensen en dat ook de Kerk kan vallen. Maar de Heer geeft Zijn barmhartigheid en Zijn liefde telkens opnieuw. Als we weet hebben van die verbondenheid met de Heer dan kunnen we ook zonder terughoudendheid verbondenheid zoeken met elkaar. Want niet gij hebt Mij uitgekozen, zegt de Heer, maar Ik u (Joh. 15, 16). We zitten hier niet op de eerste plaats omdat we elkaars vrienden zijn of dat we een select gezelschap willen
worden, maar omdat de Heer ons roept om bij Hem te komen.

Broeders en zusters, Maria is vandaag een bijzonder persoon in de liturgie. Vandaag viert de Kerk het feest van haar Onbevlekte Hart. Zoals Maria zich openstelde voor de Heer, zo heeft geen een gedaan, en zoals Maria zich verbonden wist met haar God, is dat bij Maria tot het uiterste geweest. ‘Mij geschiede naar Uw woord’ (Lc. 1, 38) heeft zij gezegd toen de engel haar vroeg de Moeder des Heren te worden, en wat zal ze dat antwoord vaak herhaald hebben! Ook toen ze Jezus kwijt was en doodsangsten uitstond: ‘Wat heb je ons toch aangedaan?’ (Lc. 2, 48). Maar ook later toen de Heer rondtrok en ze wel eens zei: Kom je nog eens thuis? En Jezus sprak: degene die de wil van de Vader doet, dat is mijn familie, dat zijn mijn broers en zussen (Lc. 8, 21; Mc. 3, 35) En opnieuw zal Maria haar belofte aan de Heer hebben uitgesproken toen ze mee moest maken hoe Jezus stierf en zij, uitgerekend zij, onder het kruis stond en vele apostelen de benen hadden genomen (Joh. 19, 24b-27) en ook zij was het die uiteindelijk met de leerlingen bad om de komst van de heilige Geest (Hand. 1, 14).

Nu we vandaag in deze kerk bijeen zijn, op deze dag van de inbezitname van de zetel van Rotterdam, dan betekent dat ook dat we dat in haar gezelschap mogen doen en dat ook Maria, die gelovige bij uitstek is, voor ons bidt, want onze pelgrimstocht is nog niet ten einde, onze pelgrimstocht is nog in volle gang. Steeds opnieuw met de Heer op weg. En ook vanuit deze Eucharistie gaat die pelgrimstocht door want als u zou denken ‘ach, er zit weer iemand op de zetel, dat was het dan’, dan is dat niet de intentie die de Heer ons voorhoudt, want we blijven op weg gaan met Hem en vanuit deze Eucharistie worden wij opnieuw gezonden. Niet voor niets dat de Eucharistie ‘Mis’ heet, van ‘missio’, ‘zending’. En we worden uitgezonden om de rijkdommen die de Heer ons geeft, om de talenten waarmee Hij ons begiftigd heeft, ook te delen met anderen: in de Kerk als instrument van God in deze wereld, maar ook in onze
samenleving waarin wij bijzondere verantwoordelijkheid dragen om herkenbaar te zijn als leerlingen van de Heer, om dienstbaar te zijn in het voetspoor van Christus en ook om mensen van gebed en hoop te zijn als het allemaal zo uitzichtloos lijkt.

Vandaag vieren wij de continuïteit van Gods aanwezigheid in ons leven, in onze Kerk, in onze wereld, en vandaag mogen ook de bisschop die afscheid neemt en de bisschop die aantreedt zich gedragen weten door die Heer die roept en die nabij blijft, die vraagt en die inspireert, die leiding geeft en kracht; hebben we bisschoppen die leiding kunnen geven en kracht in Zijn naam. Mogen wij bidden om eensgezindheid in onze kerk. Mogen wij bidden om fierheid in ons geloof, mogen wij bidden om de bereidheid te hebben steeds opnieuw op tocht te gaan met het Evangelie in ons hart zoals Maria alles bewaarde in haar hart (Lc. 2, 19.51), en onze handen uit te strekken naar wat nodig is en onze aandacht vraagt, om ons hart te openen als dat gevraagd wordt, als dat wordt gewenst, om de liefde van de Heer te delen. Zoals gezegd, wij zijn met velen en de gemeenschap van de Kerk is een gemeenschap van geroepenen.

Moge de Heer ons inspireren om trouw te blijven aan de bestemming van ons leven en ook te beseffen dat we die in samenhang met elkaar kunnen maken tot een bouwwerk des Heren waarvan Christus de hoeksteen is en het fundament (1 Petr. 2, 4-6).

Het was op 2 juli 2006 dat ik bij de Nuntius werd gevraagd en toen hoorde: wilt u naar Breda gaan? Vandaag, vijf jaar later op 2 juli 2011 ben ik gevraagd om aan te treden in Rotterdam. In het besef dat de Kerk het bouwwerk van de Heer is, in het besef dat Zijn Geest onze wereld bezielt, in dat besef durf ik ‘ja’ te zeggen, ook in het besef dat velen dat bouwwerk van de Heer bouwen met hun gaven, met hun talenten, met het antwoord op hun roeping. Mogen wij
niet te gauw tevreden zijn en niet gauw zeggen ‘zo is het wel goed’. Mogen wij steeds datgene doen wat de Heer van ons vraagt want Hij zal nooit méér vragen dan wij aan kunnen, maar wij hebben wel meer te doen dan wij misschien op het eerste gezicht van ons zelf hebben gedacht.

Moge de Heer ons zo leiden op voorspraak van Maria naar de volle maat waartoe Hij ons roept en wil maken, opdat deze wereld herkenbaar mag zijn als Zijn schepping en de Kerk zichtbaar mag zijn als degene die het licht van de Heer brandend houdt en daarvan wil delen met ieder die er voor open staat of er toe te brengen is. Amen.


Terug Terug