DE WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING (WMO)
De Wet maatschappelijke ondersteuning is op 1 januari 2007 ingevoerd. Het doel van de wet is: meedoen! Iedere burger moet zelfstandig kunnen leven en actief kunnen meedoen in de samenleving: jong en oud, met welke beperking dan ook. De Wmo vervangt de Welzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en delen van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten.
Lees op deze pagina meer over:
- uitgangspunten
- kernthema's
- taak van de gemeente
- prestatievelden
- compensatiebeginsel
- kanteling
- wie heeft er met de Wmo te maken?
- Wmo en bezuinigingen
- toekomst Wmo ontwikkelingen
- kerkelijke betrokkenheid
- parochie en Wmo
Uitgangspunten
De Wmo is gebaseerd op drie uitgangspunten:
- Mensen zorgen voor zichzelf en voor anderen. Zij zijn burgers die actief meedoen in de samenleving. Zij vragen en leveren 'gebruikelijke zorg' in hun eigen directe omgeving.
- Mensen doen een beroep op hun omgeving (familie, vrienden, buren, vrijwilligers) als zij zichzelf niet meer kunnen redden en de gebruikelijke zorg daarvoor onvoldoende is.
- Als mensen ondanks deze hulp van mantelzorgers en vrijwilligers niet tot meedoen in staat zijn, kunnen zij een beroep doen op de overheid voor aanvullende voorzieningen.
Kernthema's
De overheid heeft drie kernthema's geformuleerd voor de Wmo, die accent geven aan het beleid:
- actief burgerschap.
- verbinden. De Wmo wil in drie opzichten verbinden:
- mensen (via vrijwilligerswerk en mantelzorg)
- inhouden (bv. in en tussen prestatievelden)
- organisaties (bv. zorginstellingen en woningcorporaties, maar ook kerken).
- wederkerigheid. Niet alleen de overheid moet iets doen voor haar burgers, maar de burgers moeten zich ook inzetten voor de samenleving. Denk ook aan de maatschappelijke stage.
Taak van de gemeente
De taak van de gemeente is het zorgen voor de regie. Dit betekent vooral stimuleren, faciliteren, samenhang creëren en financieren van het werk dat onder meer door zorginstellingen en welzijnsinstellingen wordt uitgevoerd. De gemeente besteedt dit werk aan.
In de sfeer van de 'zorg' regelt de gemeente het verstrekken van algemene en individuele voorzieningen en zorgt voor ondersteuning van de mantelzorg en het vrijwilligerswerk. De gemeente stelt ook de hoogte van de eigen bijdragen voor de verschillende voorzieningen vast en regelt de indicatiestelling.
In de sfeer van 'welzijn' draagt de gemeente zorg voor een goed functionerende samenleving, bij voorbeeld door het versterken van de sociale samenhang in buurten.
De gemeente heeft veel beleidsvrijheid. Voor de uitvoering van de wet maakt ze elke vier jaar een beleidsplan. De gemeente is verplicht dat te doen in samenspraak met de burgers (burgerparticipatie). De meeste gemeenten hebben daarvoor een Wmo-adviesraad opgericht.
Dit jaar moeten de gemeenten het Wmo-beleidsplan 2011-2015 vaststellen.
Prestatievelden
De Wmo onderscheidt negen inhoudelijke terreinen (prestatievelden):
- bevorderen sociale samenhang en leefbaarheid
- voorzieningen gericht op het voorkomen van problemen bij jongeren
- geven van informatie, advies en cliëntondersteuning (in één loket)
- ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers
- vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van ouderen en mensen met een beperking
- individuele voorzieningen: rolstoelen, scootmobielen, woon- en vervoersvoorzieningen, huishoudelijke verzorging
- maatschappelijke opvang (dak- en thuislozen), vrouwenopvang en meldpunten huiselijk geweld
- bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg
- bevorderen van verslavingsbeleid
Kerkelijke vrijwilligers zijn vaak minder vertrouwd met deze taal van zorg en welzijn. Een lijst van voorbeelden geeft een nadere invulling van de negen prestatievelden. Ook bestaat er een checklist, die diaconale activiteiten vertaalt naar de prestatievelden. Sinds de zomer van 2010 kunnen kerken ook gebruik maken van de diaconale activiteitenmonitor om hun activiteiten in kaart te brengen. (www.diaconaleactiviteitenmonitor.nl)
Compensatiebeginsel
De Wmo geeft geen recht op voorzieningen op grond van een beperking, zoals het geval was in de oude Wvg en de AWBZ. Centraal staat nu het compensatiebeginsel. De gemeenten hebben de plicht om ter compensatie van beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie voorzieningen te treffen die mensen in staat stellen:
- een huishouden te voeren
- zich te verplaatsen in en om de woning
- zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel
- anderen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan
De punten van het compensatiebeginsel worden vastgesteld met hulp van een standaard, die afgeleid is van de International Classification of Functions, Disability and Health (ICF classificatie). Gemeenten kunnen de ICF gebruiken als leidraad bij het bepalen hoe een beperking gecompenseerd moet worden en om de behoefte aan voorzieningen vast te kunnen stellen.
Het oplossen van individuele problemen is het uitgangspunt van de Wmo en niet het verstrekken van een voorziening.
Kanteling
De Wmo is in 2007 onder grote tijdsdruk ingevoerd. In de uitvoering bleef men aanvankelijk sterk leunen op de oude wetten. Eind 2010 heeft de VNG een nieuwe Wmo-modelverordening gepubliceerd. Gemeenten kunnen die tekst gebruiken als voorbeeld voor hun eigen verordening. Men spreekt van een 'gekantelde verordening' omdat het nieuwe denken van de Wmo daarin veel meer tot uitdrukking komt. De verordening rust op vier pijlers:
- inclusief denken. In beeld zijn zowel de mensen met een beperking als de lokale samenleving. Het gaat niet alleen om individuele voorzieningen.
- maatwerk. Het oplossen van individuele problemen rond deelname aan de samenleving vraagt om afstemming op de persoon, zijn mogelijkheden en zijn situatie.
- resultaatformuleringen. De vier domeinen waarop de compensatieplicht van toepassing is, zijn nader geconcretiseerd in acht te bereiken resultaten. Het voeren van een huishouden is bijvoorbeeld vertaald in: een schoon en leefbaar huis, dat ook geschikt is voor iemand met beperkingen.
- het gesprek. Aan de aanvraag voor een individuele voorziening gaat een persoonlijk gesprek vooraf. Daarin wordt gekeken naar alle opties en de hele situatie van de persoon. Een huisbezoek heeft de voorkeur boven een bezoek aan het Wmo-loket.
Wie heeft er met de Wmo te maken?
De soorten ondersteuning die de Wmo kan bieden voor participatie of zorg zijn divers. Naast individuele voorzieningen zoals aanpassingen in huis of thuiszorg gaat het ook om collectieve voorzieningen zoals buurthuizen. De samenleving moet voor iedereen, ongeacht beperkingen, goed toegankelijk zijn. In beginsel heeft dus iedereen met de Wmo te maken. Maar niet iedereen heeft individuele ondersteuning nodig. Welke groepen hebben dat wel?
- mensen met een chronische ziekte of lichamelijke beperking
- ouderen
- mensen met een verstandelijke beperking
- mensen met psychische stoornissen
- mensen betrokken bij huiselijk geweld
- mensen met lichte opvoed- of opgroeiproblemen
- mantelzorgers en vrijwilligers
Wmo en bezuinigingen
In 2011 bezuinigt de overheid voor 200 miljoen euro op de Wmo. Ongeveer 150 miljoen euro moet komen uit aanscherping van het persoongebonden budget voor huishoudelijke hulp. Daarnaast denkt de regering aan het vervangen van huishoudelijke hulp door collectieve voorzieningen zoals de boodschappenservice, burenhulp of klusjesdiensten.
Gemeenten krijgen ook met andere kortingen te maken.
Gemeenten zoeken bezuinigingen in verschillende richtingen. Van een goede indicatiestelling en een efficiëntere organisatie tot het verhogen van de drempel voor de Wmo, het invoeren of verhogen van eigen bijdragen en het bezuinigen op individuele voorzieningen.
Toekomst Wmo ontwikkelingen
Nieuwe taken die naar de Wmo toekomen of raakvlakken hebben met de Wmo:
• de begeleiding vanuit de AWBZ gaat naar de Wmo in 2013/2014
• de jeugdzorg en jeugd GGZ gaat naar de gemeente in 2015
• een regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt, Wajong, Wsw en Wwb, vanaf 2012
• inloopfunctie GGZ gaat naar de gemeente (in 2012?)
Kerkelijke betrokkenheid
De doelgroepen die ondersteuning via de Wmo nodig hebben bij participatie en zorg staan in de diaconale traditie van de kerken hoog op de agenda. Zoals ouderen, dak- en thuislozen, mensen met lage inkomens en mensen met beperkingen. De kerken verlenen op dit terrein (vrijwillige) zorg en spannen zich ervoor in dat deze mensen in de samenleving kunnen meedoen. Daarbij gaat het om:
- mensen in nood helpen:
- niet verdubbelen wat er al is en geen verantwoordelijkheden overnemen;
- uitgaan van de noden én de rechten van mensen;
- de eigen capaciteiten van mensen en hun organisaties versterken;
- bijdragen aan het stichten van gemeenschap en sociale samenhang:
- in eigen kring;
- over de grenzen van de eigen kring heen door samenwerking met het buurt- en wijkwerk
- deelnemen in besturen van instellingen op het terrein van zorg en welzijn;
- problemen signaleren en de publieke opinie en politiek beïnvloeden; dat kan bijvoorbeeld door deelname in een Wmo-adviesraad.
Parochie en Wmo
Parochies kunnen op vier manieren betrokken zijn bij de Wmo:
- als zorgvrager (doelgroep van Wmo-beleid), met name als vrijwilligersorganisatie
- als zorgaanbieder op een van de prestatievelden
- als ledenorganisatie
- als 'representatieve organisatie' van de kant van zorgvragers
Lees hierover meer op de pagina 'Parochie en Wmo'
Meer informatie: