Bisschop Van den Hende bezoekt woonzorgcentrum Delfshaven
Een ontmoeting met de geestelijk verzorgers, zorgmedewerkers en bewoners
Foto’s: Bisdom Rotterdam
Op dinsdag 21 april bezocht bisschop Van den Hende woonzorgcentrum Delfshaven in Rotterdam. Het huis, met ongeveer 100 bewoners, maakt onderdeel uit van de stichting Laurens die zorg biedt voor mensen met dementie. De bewoners komen uit verschillende landen, net als de zorgmedewerkers, die meerdere talen spreken.
Emile Boleij vergezelt de bisschop tijdens zijn bezoek. Hij is bisschoppelijk gedelegeerde voor het categoriale pastoraat in de zorg en onderhoudt contact met katholieke geestelijk verzorgers.
De uitnodiging aan de bisschop voor een bezoek aan Delfshaven werd gedaan via Paulien Matze (protestants geestelijk verzorger) en Hassan Bakir (islamitisch geestelijk verzorger). In Delfshaven is geen katholiek geestelijk verzorger werkzaam, maar er zijn wel contacten met onder meer de plebaan van de kathedraal. “In de Veertigdagentijd is hij nog geweest voor de ziekenzalving en de communie”, vertelt Paulien Matze. Veel bewoners van Delfshaven zijn katholiek, waaronder een grote groep mensen die oorspronkelijk uit Kaapverdië komen.
De directe aanleiding voor de uitnodiging was de verbouwing van het huis. Er is een nieuwe, vijfde etage toegevoegd. Bij aankomst wordt de bisschop bij de deur ontvangen door Paulien Matze. Vervolgens volgt een gesprek over het leven en werken in zorgcentrum Delfshaven. Hieraan nemen ook enkele zorgmedewerkers deel, onder wie een teamleider, een activiteitenbegeleider, een inclusiemedewerker en een coördinator informele zorg (vrijwilligers en mantelzorgers). Zij vertellen over de betrokkenheid en passie waarmee zij hun werk doen. “Mijn hart ligt echt binnen de ouderenzorg”, zegt een van hen.
Bij gelegenheid van het werkbezoek schenkt de bisschop aan hen tijdens het gesprek een Laurentiusbeeldje voor het huis. Het is een 3D-replica van het beeldje uit de kathedraal. Hij vertelt over de heilige Laurentius, die uit Spanje kwam en in Rome diaken was. Op bevel van de keizer moest hij de schatten van de Kerk overhandigen, zo vertelt de bisschop. Laurentius verkocht daarop de kerkelijke rijkdommen, kocht er brood van en deelde dat uit aan de armen van Rome. Vervolgens zei hij tegen de keizer, terwijl hij wees naar de armen en de kleinen: dit zijn de schatten van de Kerk. Het verhaal maakt indruk op de zorgmedewerkers. “Zo is het!” zeggen zij.
Wanneer mensen met dementie worden opgenomen in het huis, is er veel aandacht voor de mantelzorgers. Zij hebben vaak lang en intensief voor hun familielid gezorgd, vaak tot het uiterste. Het is een rouwproces als blijkt dat dat niet meer gaat omdat thuiszorg te zwaar is geworden. De medewerkers leggen uit dat er in sommige culturen schaamte is wanneer dat niet meer lukt. De opname van een nieuwe bewoner gaat dan ook altijd gepaard met emoties. Daarover wordt gezegd: “Wanneer mensen hun naaste kunnen blijven helpen, bijvoorbeeld met het eten, kunnen ze betrokken blijven en hoeven ze niet het gevoel te hebben dat ze hun familielid als het ware in de steek hebben gelaten.”
De bisschop informeert naar de werkdruk in het huis. De vergrijzing en de hoge druk in de zorg zijn een uitdaging, wordt aangegeven. “Soms is het echt gymnastieken en elastieken om alles in goede banen te leiden”, zegt een van de deelnemers.
De bisschop nodigt de geestelijk verzorgers uit om over hun werk te vertellen. Zij geven aan dat er over en weer veel respect is tussen zorgmedewerkers en geestelijk verzorgers. Medewerkers kunnen bovendien een beroep doen op hun ondersteuning.
Een terugkerend thema in het gesprek is diversiteit. Bij een rondleiding door het huis ontmoet de bisschop bewoners van wie de wieg in verschillende landen stond. De medewerkers spreken hen aan, waar mogelijk in hun eigen taal.
Er is ook een moment van ontmoeting met de bewoners in het restaurant. Daarna zegent de bisschop met een kruisteken en door besprenkeling met wijwater de etages van het huis, de mensen die er wonen en werken. Hij bidt dat de bewoners van het huis elkaars tochtgenoten mogen zijn en samen met de verzorgenden en bezoekers een gemeenschap vormen, waar liefde en respect op de eerste plaats komen. Ook vraagt hij dat zij elkaar met een ruim hart mogen dienen en elke dag de gemeenschap mogen opbouwen door Gods liefde. De zegen wordt afgesloten met het Onze Vader en het Weesgegroet.